- ALEXANDRE DUMAS -

Deze schrijver die zich zelven liever noemt, A. Dumas Davy, Markies de la Pailletterie, werd, in het jaar 1803 te Villers-Cotterets geboren. De familie stamt af van St. Domingo, alwaar Alexandre's grootvader met eene negerin huwde, hetwelk zoowel de trekken en het gelaat zijns kleinzoons, als de eigenschappen van zijne dichtkunst te kennen geven. Zijn vader, die luitenant-generaal bij het leger der Alpen en een van Napoleons beste legerhoofden was, stierf vóór dat Alexandre, tot knaap was opgegroeid, en deze moest nu in bekrompen omstandigheden leven, daar de restauratie aan de weduwe van den generaal het pensioen onthield.

Alexandre Dumas ging, slechts met eene gewone opvoeding begiftigd, in den jare 1823 naar Parijs, het meeste vertrouwen op zijne fraaije schrijfhand stellende, welke hem dan ook, door de aanbeveling van den generaal Roy, eene klerksplaats bij den hertog van Orlean verschafte. Daar deze aanstelling slechts eene sinecure of nog liever eene aalmoes was, had de jonge Alexandre, ruimschoots tijd, om zich verder te bekwamen. Bij uitsluiting wijdde hij zijne studiën aan al hetgeen de mode was; het geen destijds bovenal het geval was met de Duitsche en Engelsche letterkunde. Zijne eerste voortbrengselen vonden een zoodanign bijval, bij den toenmaligen hertog van Orlean (Louis Philippe) hem nader aan zijn persoon verbinden wilde en, dien ten gevolge, tot bibliothekaris van het Palais Royal benoemde, Dumas echter bedankte weldra voor dezen post, om zich geheel aan zijn letterkundigen arbeid te wijden.

Zijn eerste groote tooneelstuk is "Hendrik III en zijn hof" een drama, waarin Hendrik III voortreffelijk geschetst is, dat overigens op geenerlei waarde kan aanspraak maken en althans niet op historische waarheid. De uitslag was zeer bevredigend. en hiervan werd door den dichter naar zijn beste vermogen gebruik gemaakt. Drama's volgden met onbegrijpelijke snelheid op elkander. "Stokhlolm, Fontainebleau en Rome, eene Trilogie", "Napoleon Bonaparte, geschiedkundig tafereel", "Antony, drama", "Karel VII bij zyne vassallen, treurspel", "Therese drama", "Angelo, drama", "Richard Darlington, drama", "De toren van Nesle, drama", "Katharina Howard, drama", "Don Jan van Marana, mysterie", "Galigula" enz.

Behalve deze tooneelstukken schreef Dumas geschiedkundige werken: "Frankrijk en Gallië", "Isabella van Beijeren"; voorts romans "Antony's gedenkschriften", "Pascal Bruno", "Kapitein Paul" en reisbeschrijvingen: "Reis-indrukken", "Nieuwe reis-indrukken" enz. Het waren de laatst genoemde werken, welke het eerst bij het groote publiek verbazing deden ontstaan. Hetgeen de letterkundigen reeds wisten, dat Alexandre Dumas de vermetelste roover was, die zonder bedenking alles,wat hij ontmoette, plunderde en tot zijn letterkundigen eigendom veranderde, ontdekten nu ook de gewone lezers, toen zij schetsen van reizen door Egypte en Syrië lazen, welke Dumas nergens anders, dan in zijn studeervertrek te Parijs kon geschreven hebben. Deze ontdekking benadeelde echter zijn letterkundig geluk in geenen deele; want Dumas volkmen met zijn publiek bekend, kwam steeds met nieuwe voortbrengselen ter markt en boeide op die wijze nog altijd de nieuwsgierigheid aan zijn belang, nadat hem reeds lang de achting zijner lezers verlaten had.

Ook aan zijne persoonlijke verschijning wist hij de bekoorlijkheid van het piquante te geven. Hij gedroeg zich, in alles, als een der dubbelzinnige helden van zijne romans en tooneelspelen, was half roover, half woestaard en maakte zich tot middelpunt van eene zekere klasse van elegants die uit edellieden, letterkundigen, kunstenaars en avonturiers bestond, en bij wedrennen, hazardspelen, tweegevechten, minnarijen het schandaal zoomogelijk trachtten te monopoliseren. Deze gentilshommes, zoo als zij zich noemden, hebben in het duel-proces Dujareier-Beauvallon eene treurige vermaardheid verkregen. In deze misselijke gebeurtenis, welke met een lagen moord eindigde en de veroordeeling der beide hoofdpersonen tot acht- en tienjarige tuchthuisstraf ten gevolge had, kwamen de gentilsliommes voor met tooneelspelers van den slechtsten roep en danseressen á l'instar de Lola-Montez, en van allen was Alexandre Dumas het hoofd. Hij voerde het hooge woord voor de gezworenen van Rouaan, en legde naar zijne wijze van zien het 'code du duel' uit.

De regering van Louis Phillipe ondersteunde dergelijke handelingen. Alexandre Dumas was onbetwistbaar de geliefkoosde schrijver aan het hof van den burgerkoning; want bij schreef geene staatkundige romans. Hij onderhield het publiek, hij vergoedde de materialistische rigting, welke Lodewijk Phillips aan geheel Frankrijk wenschte te geven; en op die wijze moest Dumas wel het troetelkind zijn van het hof. De kamers ergerden zich over deze genegenheid des konings jegens den schrijver, toen zij, op het buget over den jare 1846, eene berekening van kosten vonden voor eene reis welke Alexandre Dumas op een Fransch oorlogschip naar Algerië en Spanje gemaakt had. De door de beraadslagingen in de kamer beleedigde dichter, daagde de onzachtste sprekers op de pistool uit, hetgeen echter geen gevolg had, waarop hij openlijk verklaarde, dat hij naar Algiers gegaan was, om een nieuw stelsel van kolonisatie in te voeren, en naar Spanje, om bij het huwelijk van den Hertog van Montpensier den Franschen adel te vertegenwoordigen.

Dezelfde onbeschaamdheid legde hij in een proces aan den dag hetwelk hem door een boekhandelaar wegens de niet-levering van letterkundigen arbeid, aangedaan werd. Veroordeeld, om elke maand een deel te leveren. ging hij heen met de verzekering, dat dit immers hem niet deerde; want dat bij elke week een deel zoude schrijven, ja welligt twee, indien hij er gunstig toe gestemd was. Inderdaad scheen het, enige jaren vóór de Februarij-omwenteling, alsof de reusachtige kolommen van de Epoque, de Presse, van den Constitutionnel enz. niet groot genoeg waren, om den overvloed zijner voortbrengselen op te nemen. Wat is Hans Saks met zijne 272 wereldlijke, 116 allegorische verhalen en 197 anecdoten welke in vijf folianten gedrukt zijn; wat is Lopez De Vega met zijne 800 tooneelstukken en de 21.3000.000 regels, welke hij in de 78 jaren zijns levens schreef, tegen de vruchtbaarheid van Dumas. Doorgaans met vijf, acht, twaalf romans tegelijk bezig had Alexandre Dumas nog zooveel tijds over, om een eigen schouwburg, Theatre Historique genaamd, te stichten, welken hij zich voornam geheel alleen van tooneelstukken te voorzien.

De Februarij-omwenteling brak deze voortbrengingskracht slechts voor korten tiid af. Nadat Dumas in zijne poging, om deze groote gebeurtenis, zich ten nutte maken, jammerlijk schipbreuk had geleden; nadat hij noch als staatkundig schrijver met een maandwerk: Le Mois, noch als kandidaat voor de nationale vergadering, noch als socialistisch propheet en redenaar bijval gevonden had, vatte hij zijne oude werkzaamhieden weder op, en wel zoo ijverig dat men de verdriedubbeling van het getal zijner werken mag tegemoet zien. Tot zijne jongste romans behooren: De graaf van Monte-Christo; Athos, Porthos en Aramis of de drie Muskettiers; Artagnan; De burggraaf van Bragellone; Koningin Margot; De dame van Montsoreau; De Vijf en veertig; De bastaard van Mauleon; Fernande; De gedenkschriften van een geneesheer; De halsketting der Koningin; De ridder de Maison-Rouge; De beide Diana's; De Vrouwen-oorlog; Kapitein Pamphile; Gabriël Lambert; Eene Amphitrion; Koning Karel VII en Isabella van Beijeren; Eene dochter van den Regent; Paul Jones; De ridder d'Harmental; Acté; De korsikaansche Boeren.

De letterkundige waarde van deze werken is verschillend; eene zedelijke strekking missen zij geheel. Dumas schrijft juist als het een beschaafd neger doen zou, met zinnelijken hartstogt, met sterke kleuren en eene duidelijke voorliefde voor het onbeschofte. Zijne helden en heldinnen kennen geen ander doel, dan in genietingen te leven; van zedelijke kracht is geen sprake, des te meer echter van zinnelijke. In Dumas romans wordt oneindig veel gegeten en gedronken, en nog meer gevochten. Athos, die in een paar dagen een geheelen wijnkelder ledig drinkt; Hendrik IV, die bij de bestorming, van Cahors den op hem gerichten geweerloop met zijne bijl verbrijzelt; koningin Margot, die het hoofd van haren teregtgestelden gemaal steeds bij zich heeft; deze voorbeelden zullen voldoende zijn, om Dumas kracht te kennen. In zijne werken zweemt altijd iets naar het groteske; zijn het niet de karakters, dan zijn het de gebeurtenissen; in den regel overschrijden beiden bij hem de grenzen welke den dichter gegeven zijn. Wij moeten, om niet onregtvaardig te zijn, daarbij voegen, dat sommige werken inderdaad voortreffelijk zijn; men kan intussen niet zeggen, of dit goede inderdaad zijn werk is. M. Querard, schrijver van het verdienstelijke werk: la Trance Littéraires heeft een geheel werk geschreven over de wijze, waarop Dumas met den letterkundigen eigendom omspringt.

Dit boek: Les supercheries littéraires dévoilées, waarborgt Dumas de onsterfelijkheid; want het is zeker, dat er nooit zulk een schaamtelooze bedrieger geweest is, dan hij. Dumas begon zijne loopbaan met drama's, van welke hij langzamerhand 45 schreef, meestal van vijf bedrijven. Van deze zijn slechts vier door hem zelven. geschreven; het vaderschap der overige heeft Querard op eene zeer eenvoudige wijze ontdekt. Er zijn namelijk dramatische agenten in Frankrijk, die van wege den schrijver den last ontvangen, om de tantièmes van de verschillende schouwburgen, alwaar hunne stukken gegeven worden, te ontvangen. Deze agenten hebben de lijsten van de namen dergenen, die aan een stuk medegewerkt hebben, en aan die lijsten heeft Querard zijne opgaven ontleend. Vele schrijvers begaven zich, met hun arbeid, onder de bescherming van den meer beroemden naam van Dumas, om eene grootere winst te maken; en hij maakte van zijnen kant de voorwaarde, om voor het publiek als schrijver te verschijnen; maar den agenten moest hij den naam der werkelijke schrijvers opgeven, omdat deze niet de materiële opbrengst van hun arbeid verliezen wilden.

De vier drama's, die hij zelf geschreven heeft zijn: Hendrik III; Stockholm, Fontainebleau en Rome; Karel VI en Don Juan van Marana. Indien hij bij die stukken niet van de levenden geleend heeft, dan heeft hij het bij de dooden gedaan. Wanneer Shakespeare, Lopez de Vega, Walter Scott, Schiller en Goethe hun aandeel terug eischten, dan zou zijn vaderschap zeer versmelten; "de man van genie steelt niet, hij verovert" zegt bij zelf, en getrouw aan deze stelling neemt hij tooneelen, karakters en gebeurtenissen, waar hij ze vindt en vereenigt als een tweede Napoleon, vreemde gewesten met zijn leterkundig gebied. Die wijze van handelen schroomde hij niet jegens levenden te oefenen; maar moest daarna dikwerf zijne bedriegerij zclf belekennen. Zijn Antony is een plagiaat van het karakter Didier in Maria de Lorme. Daar Vitor Hugo dit drama niet kon doen opvoeren, hield Dumas de gelegenheid voor zeer goed, eene verovering te maken en gaf naderhand niet onduidelijk te verstaan, dat Victor Hugo, hem dank schuldig was, dat zijn voortbrengsel onder de bescherming van een vreemde naam op het tooneel kwam. In het jaar 1839 verscheen een werk van Dumas in het licht: Jaques Ortis getiteld. Dit werk is nogtans slechts eene letterlijke vertaling van het beroemde Ultimo lettere di Jacopo Ortis van Ugo Forscalo; Dumas vond het echter nog te ongemakkelijk, om dit ltaliaansche werk te vertalen, want bij liet eene, in 1829 verschenen fransche vertaling dezer brieven bijna overdrukken. "De man van genie steelt niet, hij verovert,"

Chateaubriand, Guizot, Thiers zijn uitstekende geschiedschrijvers, en dit is voor Dumas reden genoeg, om hen te plunderen. Zijn "Gallië en Frankrijk" is bijna geheel nadruk, maar met verslechtering van stijl, welke Dumas er opzettelijk heeft ingebragt, om het publiek diets te maken, dat het werk inderdaad van hem is. Dumas citeert ook in dit boek als een echt geleerde; maar altijd slechts zulke werken, die zijne voorgangers aanhalen en juist op dezelfde plaatsen als zij. Zijne domheid speelde hem daarbij eens eene deerlijke poets. Hij geeft namelijk den afvalligen keizer Julianus den bijnaam van Mysoptagon, hetgeen de titel is van een zijner werken, en beroept zich meermalen op een schrijver Zosimius. Dit moet de schrijver Zosimos zijn, en de dwaling ontstond daaruit, dat Chateaubriand dezen schrijver onder de verkorting van Zosim aanhaalde, waarop Dumas een eindlettergreep naar zijnen smaak koos. Dit zijn slechts kleinigheden.

Veel sterker is, dat Dumas een geheel verhaal van Mery, la Chasse au Chasle, gestolen en in zijne reis-indrukken uit het zuidelijk Frankrijk geplaatst heeft. Dit verhaal moet hem buiten-gewoon bevallen hebben, want hij herhaalt het nog eens in het zesde deel van den Ridder de Maison Rouge. Hypolyte Auger schreef eene novelle, Olympe, voor de Revue de Paris en vertrok kort daarop naar Petersburg. Toen hij teruggekeerd was, vond hij zich onteigend; Olympe heette nu Fernande, en de schrijver heette Alexandre Dumas. Ouerard heeft door zorgvuldige nasporingen bewezen, dat de firma Alexandre Dumas uit 75 mede-arbeiders bestaat, en alleen op die wijze wordt de mogelijkheid verklaard, dat zulk eene massa van drama's, reisbeschrijvingen en romans onder één naam verschijnen kan, op eene geheel natuurlijke wijze. Dumas loochent van de 75, 74 mede-arbeiders en erkent voordien éénen openlijk August Magnet, maar de zaak is bewezen. Hij moet zelfs eenige werken, die zijn naam dragen, niet gelezen hebben. In eene novelle Amaury, die zijn naam draagt, maar door Paul meunier geschreven is, wordt Alexandre Dumas reeds in het eerste hoofdstuk als de waardigste tot opneming in de academie aanbevolen.

Het is bekend, hoe Dumas Holland en zijne bewoners beschreef bij gelegenheid dat hij ons vaderland bij de huldiging van ZM.Willem III bezocht; dagbladen en tijdschriften waren vol van den onzin en den zotteklap welke bij den Franschen in een boeiend tafereel van ons land opdischte. Niet minder bekend is de kostbare en spilzieke, levenswijze des romanschrijvers, zoodat hij, ondanks de met zijn arbeid verdiende schatten, dikwerf gegijzeld werd, om op die wijze tot de betaling zijner schulden genoodzaakt te worden.


ONZE TIJD, deel V pagina 128 t/m 131, Amsterdam 1850

terug naar begin